Doe mij maar een Mini Cooper.

 

Ik raak niet buitengewoon opgewonden van auto’s. Bovenal zijn het knappe staaltjes techniek die je in staat stellen om van A naar B te bewegen zonder al te veel fysieke inspanning, en zonder nat te worden van de regen. De ene auto rijdt lekkerder dan de andere, de andere ziet er wat gelikter uit dan de ene. Tuurlijk wil het oog ook wat, maar als het er om gaat dat ik met de trein 2 keer zo lang onderweg ben omdat station ’s-Hertogenbosch is platgelegd, dan stap ik toch liever in de spuuglelijke Opel Agila van mijn moeder dan dat ik omtrein via Zaltbommel. Kortom, ik geef niet zoveel om auto’s. Tot voor kort. Laatst kreeg ik een foto van de kont van een Mercedes onder ogen, met het commentaar erbij: “Een GLK 220 CDI. Toe maar. Dat ambassadepersoneel doet maar.” Ik vroeg aan die persoon hoe hij wist dat het een ambassade-auto was.

Blijkbaar is dat dus te zien aan het nummerbord. Ik zocht het meteen op Wikipedia en warempel, kentekenplaten met de letters GN en BN zijn bestemd voor “buitenlands personeel zonder diplomatieke status van ambassades, consulaten of internationale organisaties”.

Ergens anders las ik over de manier waarop mensen hun carrièrekeuzes maken. Kiezen we voor wat we daadwerkelijk leuk vinden om te doen, of voor datgene dat status oplevert? Kiezen we voor de baan waarvan je verwacht dat het veel ooh’s en aah’s oplevert als je erover vertelt? Mensen beweren wel graag dat het ze niet uitmaakt wat anderen denken van hun baan, maar  als we eerlijk zijn vinden we het toch wel erg fijn om belangrijk gevonden te worden, om iets gewichtigs te doen. Ik dacht ook altijd dat status me niet uitmaakte. Als mensen me vragen wat ik met mijn studie wil worden, “later als ik groot ben”, dan antwoord ik nog steevast dat het me niet uitmaakt, als ik maar gelukkig ben. Daar sta ik nog steeds achter, maar dit antwoord is niet meer volledig. Want ondanks dat ik blij word van mijn werk als postbode -ik loop immers in een gezellige wijk, en krijg veel korting of andere extraatjes van winkeliers- toch schaam ik me een beetje om te zeggen wat ik voor werk doe. Ik gooi er ook meestal het woordje “tijdelijk” tussendoor, om maar vooral niet de illusie te wekken dat dit mijn uiterlijke carrièredoel is. Uiteindelijk hoop ik een baan te krijgen waar ik trots op kan zijn, een baan waarmee ik aan mensen kan laten zien: “Kijk, ik doe wat zinnigs met mijn leven, ik gebruik mijn opleiding en persoonlijke kwaliteiten om van de wereld een betere plek te maken voor iedereen.” Ik hoop dat ik een baan krijg die voldoet aan de verwachtingen die ik denk dat mensen van mij hebben, of zelfs die verwachtingen overstijgt. Ik hoop dat ik me kan onderscheiden ín mijn werk, maar ook mét het werk dat ik doe.

Wat hebben die verwachtingen nu met auto’s te maken? Welnu, het feit dat een bepaalde functie zó belangrijk of zinvol is dat er speciale nummerborden voor gemaakt worden, dat vind ik tof. Het idee dat mensen aan mijn auto zouden kunnen zien wat voor werk ik doe, vind ik tof. En als dat dan ook nog eens een heel mooie, glimmend zwarte Mercedes blijkt te zijn… Dan is dat heel erg tof.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *